Hieronder staan diverse vragen, knelpunten en bijzonderheden met betrekking tot de ‘WWB 2012’. Soms staat er een antwoord c.q. oplossing bij, maar in veel gevallen is er nog niet met zekerheid een antwoord te geven omdat de wetgeving nu eenmaal niet volledig of niet juist is. Oplossingen in handreikingen van het ministerie SZW zijn soms mager of ontbreken of worden soms op het gemeenteloket SZW zelf weer anders uitgelegd.
I. Het gezinsinkomen
a) Door introductie van het huishoudinkomen wordt de bijstand in voorkomende gevallen verdeeld over meer dan twee meerderjarige personen. Omdat de individuele klanten hierdoor minder belastbaar inkomen hebben en er dus minder belasting voor hen wordt afgedragen, zal de WWB 2012 meer dan voorheen leiden tot zogenaamde ‘verzilveringsproblemen’ ten aanzien van de heffingskortingen.
b) Het inkomen van een Wajonger moet worden vrijgelaten conform artikel 31 lid 2 sub w WWB als er sprake is van een van de situaties als bedoeld in dat artikel. Hoewel het artikel lastig leesbaar is, geeft de toelichting bij dit artikel redelijk weer wat er bedoeld wordt (zie onderaan pagina 36 van de Langhenkel Leidraad WWB 2012, 2e druk). Maar hier lijkt een omissie in de wet te zitten: stel dat een bijstandsgerechtigde moeder van 50 met haar zoon van 30 woont, die zoon een volledige Wajong-uitkering ontvangt en er verder geen inwonenden zijn. Momenteel ontvangt moeder een WWB-uitkering naar de alleenstaandennorm, eventueel met een verlaging of een verlaagde toeslag i.v.m. het kunnen delen van de kosten met haar zoon. De zoon ontvangt geen bijstand omdat hij een volledige Wajong-uitkering geniet. Vanaf 2012 worden moeder en zoon samen echter ineens als gezin gezien en daardoor krijgen zij samen recht op de gezinsnorm. Daarbij wordt het inkomen uit Wajong volledig vrijgelaten conform artikel 31 lid 2 sub w. Het gevolg is dat de zoon - die nu geen bijstand ontvangt - naast zijn Wajong-uitkering ineens de helft van de gezinsnorm aan bijstand gaat ontvangen. Omdat moeder daarnaast ook gewoon de helft van de gezinsnorm krijgt, hebben zij gezamenlijk meer inkomen dan de gezinsnorm en komen zij in de richting van een maandelijks inkomen van 2000 euro netto per maand. En deze stapeling van uitkeringen was nu net niet de bedoeling van de wetgever… Inmiddels heeft de staatssecretaris echter aangegeven dat het wel een bewuste keuze is, getuige deze brief.
c) Stel een moeder van 50 jaar woont met haar studerende dochter van 25 jaar. De dochter heeft een kind van 9 jaar oud en voldoet aan de voorwaarden van artikel 4 lid 2 WWB. Op grond van artikel 4 lid 6 WWB wordt deze dochter van 25 nu gezien als een alleenstaande. Maar hoe zie je het kind van 9 jaar nu? Samen met de 50-jarige oma is dit (klein)kind toch niet als ‘gezin’ aan te merken? Het 9-jarige kind lijkt qua begripsbepalingen dan ook tussen wal en schip te vallen. En wat betekent dit als het kind van 9 jaar vermogen (boven de grens) heeft?
d) Stel dat een student voldoet aan de voorwaarden van artikel 4 lid 2 WWB en dus buiten het gezinsbegrip valt. Als hij in een bepaalde maand echter meer verdient dan de genoemde norm (€ 1.059,49), dan behoort hij die maand ineens wel tot het gezin, waarmee hij bijstand kan krijgen.
e) Het is goed mogelijk dat de hiervoor genoemde student met een studiebeurs, inkomsten uit arbeid en zijn gezinsdeel aanvullende bijstand, te veel inkomsten heeft voor het recht op Wsf.
f) Als een ten laste komend kind van 16 of 17 jaar meer inkomsten heeft dan € 827 (bedrag genoemd in art. 31 lid 2 sub h WWB), dan is dat boven de AKW-grens en ontvang(t)(en) de ouder(s) geen kinderbijslag meer voor dat kind en is het kind dus niet meer ten laste komend in de zin van de WWB. Het kind behoort dan dus ook niet meer tot het gezin. Wellicht kan de norm c.q. toeslag van het/de overige gezins(lid)(leden) wel worden verlaagd. Zodra het kind 18 jaar wordt, dan gaat hij of zij inclusief alle inkomsten wel weer tot het gezin behoren.
g) Stel dat er sprake is van drie gezinsleden: een moeder van 45, een zoon van 25 en een zoon van 18 jaar. De zoon van 25 verblijft te lang in het buitenland. Hij behoort nog wel tot het gezin, maar is nu geen rechthebbende. Maar welke norm is nu voor de overige gezinsleden van toepassing? De gezinsnorm van € 1336,42 of de norm voor een gezin waarvan 1 gezinslid ouder dan 21 is en 1 jonger dan 21 is (€ 899,12). Of moet dit worden opgelost met artikel 18 lid 1 WWB?
h) Artikel 31 lid 2 sub r WWB regelt de vrijlating van inkomsten uit arbeid voor de alleenstaande ouder of alleenstaande ouder met een of meer meerderjarige kinderen. Omdat de gezinsuitkering gesplitst wordt uitbetaald, heeft het inwonende meerderjarige kind dus ook financieel voordeel van de vrijlating van de alleenstaande ouder.
II. Het overgangsrecht t.a.v. het gezinsinkomen
a) Voor het zittende bestand geldt veelal overgangsrecht, waardoor hun situatie niet wijzigt tot 1-7-2012. Maar stel dat er sprake is van een echtpaar dat op 31-12-2011 bijstand ontvangt (en waarvoor dus het overgangsrecht geldt), waar op 15 maart 2012 een zoon van 30 jaar met inkomen boven de gezinsnorm komt inwonen. Eindigt dan het overgangsrecht van de ouders en daarmee hun uitkering? En wat als de zoon geen eigen inkomen heeft en bijstand aanvraagt, moeten zij dit dan met z’n drieën aanvragen en gelden dan de huishoudinkomenstoets en de gezinsnorm? En wat als het kind op 31-12-2011 al bij zijn ouders in huis woonde, maar een WW-uitkering had die afloopt op 15 maart 2012?
De kamerstukken (zie bijvoorbeeld pagina 23 en 24 van de Nota naar aanleiding van het verslag) stellen over het algemeen dat er in de bovenstaande situaties sprake is van een nieuwe situatie waardoor het overgangsrecht eindigt. Zo staat het ook in de handreiking van het ministerie SZW. Desgevraagd geeft het gemeenteloket van hetzelfde ministerie SZW echter aan dat het overgangsrecht van de ouders wel gerespecteerd dient te worden. Daarnaast is het overgangsrecht niet goed geregeld: conform artikel 78s WWB lijkt het overgangsrecht van de ouders niet te eindigen als gevolg van de bovengenoemde situaties en zal dit dus gerespecteerd moeten worden. Maar wat als de zoon die bijvoorbeeld komt inwonen nu bijstand nodig heeft? Voor hem is eigenlijk niets geregeld: de nieuwe regels op hem toepassen (het huishoudinkomen) zou het overgangsrecht van de ouders doorkruisen, maar anderzijds kun je de zoon natuurlijk ook niet zomaar bijstand geven met toepassing van de oude regels (daar is juridisch immers geen grondslag voor te vinden). Een oplossing zou in dit geval wellicht kunnen zijn om wel de nieuwe regels toe te passen (en dus per 15 maart bijvoorbeeld een gezinsuitkering te verstrekken), maar deze uitkering qua hoogte af te stemmen op de oude regels (de ouders beiden de helft van de gehuwdennorm en de zoon een alleenstaandennorm met een verlaagde toeslag). Formeel lijkt dit het beste aan te sluiten (men past immers geen regels op de zoon toe die feitelijk niet meer gelden) en ook materieel sluit deze uitkomst het beste aan bij het overgangsrecht van de ouders.
Als Langhenkel zijn wij van mening dat het overgangsrecht van de ouders in dergelijke situaties gerespecteerd dient te worden omdat dit volgt uit artikel 78s WWB en de wettekst naar onze mening geen ruimte geeft voor een andere uitleg.
Het overgangsrecht eindigt natuurlijk wel als er sprake is van een onderbreking van het bijstandsrecht van minimaal 30 dagen.
b) Eindigt het overgangsrecht als de klanten op wie dit overgangsrecht van toepassing is verhuizen naar een andere gemeente? Of loopt hun overgangsrecht ook in de nieuwe gemeente door? De vraag is eigenlijk: is er bij een verhuizing sprake van het einde van het recht op bijstand en het verkrijgen van een nieuw recht bij de nieuwe gemeente? Hier is wat voor te zeggen omdat het recht op bijstand conform artikel 40 WWB bestaat jegens het college van de gemeente waar men woont. Daar is wellicht uit af te leiden dat het recht op bijstand derhalve zou eindigen als men verhuist. En als er inderdaad sprake is van een beëindigd recht op bijstand, dan zou het overgangsrecht (conform artikel 78s lid 1 laatste zin) ook eindigen.
c) Als een ten laste komend kind in de overgangssituatie (die loopt van 1-1 tot 1-7-2012) 18 jaar wordt, dan wordt de alleenstaande ouder - voor zover er geen andere ten laste komende kinderen zijn - alleenstaande. Met het eventuele inkomen van het kind doet men ten aanzien van de ouder vervolgens niets in het kader van het overgangsrecht (behoudens een eventuele verlaging van de toeslag c.q. de norm). Het kind zou op grond van het overgangsrecht echter een aanvraag in kunnen dienen die moet worden beoordeeld conform de ‘oude’ regels ten aanzien van de gezamenlijke huishouding en het begrip gezin. Wat moet er dan echter gebeuren je dan met die vier weken wachttijd die voor jongeren geldt (hier is namelijk geen overgangsrecht voor geregeld)?
d) In kwestie I onder b werd hierboven al even aangestipt dat de meerderjarige Wajonger die bij (bijvoorbeeld) zijn bijstandsgerechtigde moeder inwoont, er onder de regels van de WWB 2012 financieel op vooruit gaat. Voor zover deze huishouding reeds op 31 december 2011 bestond, geldt echter het overgangsrecht van artikel 78s WWB. Hierdoor zal de gunstigere situatie pas op 1 juli 2012 van kracht worden. In het algemeen worden overgangssituaties zo geregeld dat de meest gunstige situatie voor de belanghebbende prefaleert. In deze specifieke situatie heeft de wetgever kennelijk voor een andere oplossing gekozen.
e) In kwestie I onder b werd hierboven al even aangestipt dat de meerderjarige Wajonger die bij (bijvoorbeeld) zijn bijstandsgerechtigde moeder inwoont, er onder de regels van de WWB 2012 financieel op vooruit gaat. Hij heeft daarbij ook aanspraak op de langdurigheidstoeslag (LDT) - ook hier wordt de Wajong buiten beschouwing gelaten. Dit zou slechts anders zijn als de gemeente acht dat er uitzicht bestaat op inkomensverbetering (artikel 36 lid 1 WWB). Deze overweging zou in beginsel bij iedere Wajonger zonder vermogen die LDT aanvraagt, moeten worden gemaakt.
III. Artikel 9a
a) Artikel 9a WWB lijkt alleen te gelden voor de ‘echte’ alleenstaande ouder, dus als een meerderjarig kind zijn of haar hoofdverblijf heeft in dezelfde woning, dan geldt 9a WWB niet. In artikel 9a wordt namelijk niet gesproken over de alleenstaande ouder of alleenstaande ouder met een of meer meerderjarige kinderen zoals dat in artikel 31 lid 2 sub r WWB wel het geval is. Op zich is dit ook niet onlogisch, omdat een eventueel inwonend meerderjarig kind zorgtaken op zich kan nemen. Maar of dit bewust zo is opgeschreven in artikel 9a WWB is de vraag.
b) Het overgangsrecht ten aanzien van artikel 9a WWB is geregeld in artikel 78p WWB. Dit was eigenlijk geschreven voor de situatie waarin artikel 9a WWB werd ingetrokken. Nu artikel 9a WWB als gevolg van de behandeling in de 2e Kamer weer (in aangepaste versie) in de WWB is opgenomen, is de vraag of het overgangsrecht van artikel 78p WWB nog wel geldt. Vermoedelijk is men vergeten dit in te trekken, maar zolang het in de wet staat gaan we er maar van uit dat het geldt. Dit mede omdat het nieuwe artikel 9a WWB iets strenger is en het nieuwe artikel 9a WWB daarnaast niet geldt voor de alleenstaande ouder met inwonende meerderjarige kinderen (zie het punt hierboven).
c) Ook voor alleenstaande ouders die jonger zijn dan 27 en een kind hebben dat jonger is dan 5 jaar, geldt de ‘zoekperiode’ van 4 weken. Vreemd genoeg kan deze alleenstaande ouder na ommekomst van die vier weken zoeken vervolgens een beroep doen op artikel 9a WWB en derhalve vrijgesteld worden van de arbeidsverplichting. Dit is niet logisch.
IV. Jongeren
a) Wat te doen met jongeren die in de ‘zoekperiode’ bijvoorbeeld na 3 weken een baan vinden. Hebben zij recht op bijstand voor de overige drie weken? Formeel wel. Maar gaat de gemeente hen daar ook op wijzen? In het kader van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zou dit naar de mening van Langhenkel wel moeten.
b) De vreemdeling genoemd in artikel 41 lid 8 WWB moet - evenals andere jongeren - vier weken zoeken nadat hij zich heeft gemeld, maar kan eventueel wel een aanvraag indienen voor een voorschot. Voor jongeren die een WW-uitkering hadden is de problematiek ook redelijk ondervangen door de laatste vier weken van de WW-uitkering als zoekperiode in het kader van de WWB aan te merken. Maar wat te doen met andere jongeren die zwaar in de problemen komen? Formeel mogen zij geen voorschot krijgen. Maar wat als er nu sprake is van een acuut financieel probleem? Artikel 16 lijkt formeel geen oplossing te kunnen bieden, want dat is geschreven voor mensen die geen recht op bijstand hebben conform paragraaf 2.2 van de WWB. Is het laten aanvragen van bijzondere bijstand voor een overbruggingsuitkering en het vervolgens verlenen van een voorschot inzake deze bijzondere bijstand wellicht een oplossing?
V. Overgangsrecht
a) Artikel 78p lid 2 WWB bepaalt dat de vrijlating van de heffingskortingen in het kader van het overgangsrecht maximaal tot 1 maart doorloopt indien de nieuwe vrijlating minder gunstig is dan de oude. Half december 2011 kwam de voorlopige aanslag heffingskortingen 2012. Het betreft echter een voorlopige vaststelling van de heffingskortingen en na afloop van 2012 (bij de definitieve vaststelling van de heffingskortingen over 2012) kan dus eigenlijk pas worden bepaald of de (oude) vrijlating van de heffingskortingen gunstiger was dan de nieuwe vrijlating. In principe adviseert Langhenkel gemeenten om het uitvoerbaar te houden en dus toch maar gewoon naar de voorlopige teruggave m.b.t. de heffingskortingen te kijken en dit af te zetten tegen de nieuwe vrijlating. Herstellen is achteraf immers ook nog wel mogelijk.
Door het overgangsrecht ontstaan er daarnaast verschillen tussen klanten. Het zou namelijk kunnen zijn dat de ene klant direct de nieuwe vrijlating krijgt omdat deze gunstiger is (deze klant heeft dan maximaal recht op 30 maanden vrijlating) en dat andere klanten in het kader van het overgangsrecht eerst nog twee maanden recht hebben op de oude vrijlating van de heffingskortingen, voordat ze recht krijgen op de nieuwe. Zij kunnen vanaf 2012 dus tot 32 maanden recht hebben op een vrijlating. Het zal overigens niet om veel klanten gaan, aangezien er een kind moet zijn dat jonger is dan vijf jaar (dit gold voor de oude vrijlating) en de ouder van dit kind ouder moet zijn dan 27 jaar.
Met betrekking tot de nieuwe vrijlating geldt verder dat deze geldt tot het kind 12 wordt. Wanneer het kind midden in de maand 12 wordt, dan wordt de vrijlating tijdsevenredig toegepast.
VI. Overige
a) Als gehuwden waarvan een partner ouder is dan 65 jaar aanvullende bijstand aanvragen in het kader van de AIO, maar er sprake is van een inwonend kind dat jonger is dan 65, dan doet de SVB de check in het GBA en de gemeente maakt beoordeling vervolgens verder af. Gemeenten moeten hiervoor afspraken maken met hun SVB regiokantoor.
b) Er komt naar verwachting een nieuwe categoriale bijzondere bijstand voor premie zorgverzekering. Een wetsvoorstel dient nog te worden ingediend.
c) In artikel 35 lid 9 WWB wordt gesteld categoriale bijzondere bijstand voor een aanvullende ziektekostenverzekering enkel mogelijk is indien het inkomen van belanghebbende niet meer bedraagt dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. In de Memorie van Toelichting wordt echter gesuggereerd dat deze regel niet voor de aanvullende ziektekostenverzekering zou gelden. Een slordigheidje, naar we aannemen. We zullen maar van de wet uitgaan.
d) Door de wijzigingen in de bijstandswet, moet ook de wijze waarop de beslagvrije voet dient te worden vastgesteld in het kader van derdenbeslag worden herzien. Artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt derhalve aangepast. Op zich wordt het artikel er niet onduidelijker op dan het altijd al was (het blijft een wat gedateerd artikel). Twee dingen zijn wel noemenswaardig (hoewel in de lijn der verwachting): 1. een gezin kan bestaan uit leden die wel en leden die niet juridisch aansprakelijk zijn voor een bepaalde schuld. Op zich hoeven niet aansprakelijke gezinsleden niet op te draaien voor de schulden van de aansprakelijke leden. Zodra ze echter met zijn allen bijstand ontvangen, dan is dat ineens wel het geval. Een beslag op de bijstand wordt immers gerealiseerd door de beslagvrije voet (i.c. 90% van de gezinsnorm) onder het bijstandsrecht te plaatsen (i.c. de gezinsnorm) en het verschil aan de beslaglegger over te maken. 2. Indien er sprake is van gezinsleden met bijvoorbeeld inkomen uit arbeid hebben die niet aansprakelijk zijn voor een schuld, dan kan er natuurlijk geen beslag worden gelegd op hun arbeidsinkomen. Maar met een deel van dit inkomen moet de beslagvrijge voet voor het beslag op de bijstand echter wel worden verlaagd. Op zich niet raar, want omdat het arbeidsinkomen op de bijstand in mindering wordt gebracht, zou zonder correctie van de beslagvrije voet het beslag niet mogelijk zijn (er zou geen ruimte zitten tussen de beslagvrije voet en de bijstand). Toch blijft wringen dat personen die juridisch niet aansprakelijk zijn voor een schuld, toch worden betrokken in de terugbetaling ervan, met name (niet enkel) als gevolg van het feit dat ze een minimuminkomen hebben.